Geschenk uit de woestijn
𝑮𝒆𝒔𝒄𝒉𝒆𝒏𝒌 𝒖𝒊𝒕 𝒅𝒆 𝑾𝒐𝒆𝒔𝒕𝒊𝒋𝒏
november 2025, Leontien Braakman
𝑽𝒐𝒓𝒊𝒈𝒆 𝒘𝒆𝒆𝒌 𝒌𝒘𝒂𝒎𝒆𝒏 𝒘𝒆 𝒕𝒆𝒓𝒖𝒈 𝒖𝒊𝒕 𝒅𝒆 𝒘𝒐𝒆𝒔𝒕𝒊𝒋𝒏, van onder de brandende zon, vanuit de eindeloze vlakten en het losse stuivende zand - maar opnieuw met onszelf, de aarde, de hemel en elkaar verbonden.

Dat klinkt misschien hoogdravend, of groots. En dat is het ook. Maar degene die daar de juiste woorden voor vond, is deelnemer 𝑹𝒊𝒆𝒕 𝒗𝒂𝒏 𝑬𝒏𝒈𝒆𝒍𝒆𝒏, 𝑺𝒑𝒐𝒌𝒆𝒏 𝑾𝒐𝒓𝒅 𝒂𝒓𝒕𝒊𝒔𝒕 𝒆𝒏 𝒑𝒆𝒏𝒌𝒖𝒏𝒔𝒕𝒆𝒏𝒂𝒂𝒓.
Lees! En lees tot het eind 💛
Wij liepen over de stenige vlakte met de steeds meer brandende zon schuin achter ons, steeds meer achter ons. De stenige vlakten doorkruisten wij met de blauwe hemel hoog boven ons.
Wij liepen door drooggevallen rivierbeddingen, rivierbeddingen wachtend op het koele zoete water, verlangend het op te vangen, het naar beneden stromende water op te vangen en weer het horizontaal verder zal stromen totdat het verzandt, totdat de uitdrogende gele aarde barstensvol dorst naar het koele zoete water dat de gelige stenige vlakten in bloei zet.
Wij liepen over die vlakten, over de vlakten die eens waren bedekt met het koude zoute water. De vlakten die wij in bloei zetten met ons hete zoute water van een onuitsprekelijk verlangen. Het naar beneden stromende hete zoute water van ons verlangen.
Wij liepen daar, uiteen waaierend, uiteen gewaaierd, wetende van elkaar dat wij daar liepen met ons naamloze verlangen dat ons voortdreef, ons alsmaar voortdreef naar de einder die de einder bleef, de immer wijkende horizon. De vergezichten die ons lokten en wenkten, ons bleven lokken en wenken zodat wij bleven lopen, steeds bleven lopen totdat we tenslotte neervielen op de harde stenige vlakte waarover de wind waaide, de steeds kouder wordende wind waaide en de zon zich klaar maakte voor de nacht, voor de vallende nacht waar de maan reeds haar opwachting had gemaakt, de wassende maan die onze dromen verlichtte, die samen met de glinsterende sterren onze dromen verlichtte en onze slaap verzachtte. Waar de Melkweg als een wazige band de hemel omspande, Jupiter met zijn glanzende gezicht tot aan het zenit klom en Orion zijn lange reis hoog boven ons aflegde van oost naar west, waar hij verbleekte in het ochtendgloren van een nieuwe dag die smachtend werd verwacht.
Wij keken uit over de wijde vlakten en de verre bergen naar daar waar de zon zou opkomen, onze gezichten geheven naar de opkomende zon, de zon die het hete zoute water over het tweestromenland van ons gezicht deed vloeien terwijl wij daar stonden, nog koud van de donkere nacht.
Op een rij stonden wij naast elkaar terwijl de zon boven de kim rees en wij de dag verwelkomden, wij elkaar verwelkomden, weer weet hadden van elkaar, wij elkaar in de vochtige ogen keken en elkaar omhelsden en wij beseften dat wij niet alleen waren, wij beseften dat wij elkaar gevonden hadden, steeds weer opnieuw elkaar gevonden hadden en dat wij elkaar niet kwijtraakten hoe ver wij ook gingen, hoe ver ieder van ons ook ging.
Wij wisten, we zouden nooit meer alleen zijn, gedragen door dezelfde vlakten, de stenige en zanderige vlakten, drooggevallen waar eens de zee was, wij allen uit hetzelfde voortgekomen, wij allen uit hetzelfde bestaan, wij allen gedragen door dezelfde aarde, hoe ver wij ook gaan, hoe ver ieder van ons ook gaat, waarheen ieder ook gaat, uitwaaierend naar alle kanten; wij blijven de vlakten doorkruisen en we weten, we blijven weten: Wij zijn niet alleen.


